Beeldvorming bij Vlamingen

De media doen actief aan beeldvorming. Voor al wie bewust wil bezig zijn met actieve beeldvorming, is het nutig om te weten wat de bestaande denkbeelden zijn. Hoe denken de Vlamingen over mensen met een handicap en wat is hun houdig tegenover hen? Dit is de passieve dimensie van beeldvorming.
 
De Universiteit Gent voerde in 2002 en 2003 een onderzoek naar de beeldvorming over personen met een handicap in Vlaanderen. Het onderzoek werd uitgevoerd door Stefanie Lenoir en Lies Vanpeperstraete, onder leiding van Prof. Geert Van Hove (vakgroep orthopedagogie) en in samenwerking met Gelijke Kansen. Over de opzet ervan lees je meer op www.gelijkekansen.be.
 
Doelstelling was om de bestaande beeldvorming over mensen met een handicap in kaart te brengen. Het onderzoek was het eerste grootschalige beeldvormingsonderzoek in Vlaanderen. De onderzoekers bereikten bijna 4500 personen. De respondenten zijn zowel mensen met als zonder handicap.
 
We vatten de belangrijkste conclusies van dit onderzoek samen.
 
Hoeveel?
Tien procent van de Vlamingen zegt zelf een handicap of chronische ziekte te hebben. Driekwart kent iemand met een beperking; soms van dichtbij, soms veraf. Het contact met die personen is weinig intensief. Slechts een derde van de totale populatie ontmoet de persoon in kwestie minstens eenmaal per week.
 
Wat is een handicap?
De invulling die men zelf aan het begrip handicap geeft, leunt bij de meeste respondenten aan bij de medisch-individuele benadering. Hierbij staan de tekortkomingen en het niet-functioneren centraal. We lijken in de praktijk dus nog veraf te staan van het sociaal model van handicap. Dit is een belangrijk aandachtspunt met het oog op campagnes of andere acties die de bestaande beeldvorming willen beïnvloeden.
 
Attitude
De houding ten opzichte van mensen met een handicap is over het algemeen gematigd tot zeer positief. In het bijzonder over het recht om samen te wonen en een gezin te stichten bestaat globaal gezien weinig twijfel. Wanneer deze situaties concreet worden gemaakt aan de hand van een foto, is het antwoord minder eenduidig. Ook de houding tegenover inclusie bij kinderen is positief tot zeer positief te noemen, zowel in de klas als in de vrije tijd. Maar ook hier reageert men meer verdeeld als het gaat over concrete situaties waarbij volwassenen met een beperking in een reguliere omgeving gaan werken of sporten.
 
Gevoelens
De emoties die men vooral ervaart ten opzichte van personen met een handicap zijn bezorgdheid, medelijden en bewondering. Deze gevoelens weerspiegelen een zekere betrokkenheid en houden de mogelijkheid tot verandering in.
 
Aparte categorie
Mensen met een verstandelijke handicap beschouwt men als een afzonderlijke categorie, ook binnen de groep van mensen met een beperking. Dit moet een constant aandachtspunt zijn bij het uitdenken van acties waarmee men de beeldvorming wil beïnvloeden.
 
Algemeen
Door de band genomen kunnen we stellen dat Vlamingen tolerant zijn ten opzichte van personen met een handicap en dit ongeacht hun beperking. Toch lijkt men in concrete situaties een duidelijke voorkeur te hebben voor mensen met de lichtste beperkingen. Tolerantie lijkt vooral te kunnen zolang de integratie of inclusie niet ‘in de eigen achtertuin’ moet gebeuren. We denken dat hier het fenomeen van handelingsonzekerheid een rol speelt: men weet niet goed wat men moet doen of zeggen in gezelschap van personen met een handicap.
 
Jongeren van 13 tot 25 jaar gaven gemiddeld andere antwoorden. Ze hebben een meer open en betrokken houding, al geven ze geven wel meer toe dat ze zich onzeker voelen tegenover mensen met een handicap. Ook mensen die iemand met een handicap kennen, hebben een positiever beeld.
 
Uitgangspunten voor een gewenste beeldvorming over personen met een handicap:

  1. Mensen met een handicap hebben mogelijkheden.
  2. Het gaat om een heterogene groep: personen met individuele wensen en mogelijkheden.
  3. Mensen met een handicap zijn volwaardige leden van de samenleving.
  4. Het zijn mensen met eigenwaarde: respect en begrip moeten centraal staan.
  5. Mensen met een handicap hebben rechten: vrijheid, beslissingsrecht en recht op zelfbepaling moeten zoveel mogelijk tot uiting komen.
  6. Mensen met een handicap zijn mondige mensen.
  7. Toon mensen met een beperking op een actieve en positieve manier.
  8. Toon hen in herkenbare situaties en in een gewoon milieu.
  9. Laat hen zien in situaties die typerend zijn voor hun leeftijdsgenoten om zo het vooroordeel te bestrijden dat ze eeuwig kind blijven.
  10. Toon hen in situaties die noch hun mogelijkheden, noch hun beperkingen overdrijven.
  11. Neem alle persoonlijke eigenschappen in beschouwing, zowel aangename als minder aangename karaktertrekken. Een correct beeld is niet altijd een positief beeld. Dit kan de buitenwereld afschrikken maar correctheid verdient de voorkeur. Negatieve beelden mogen echter niet de enige beelden zijn over mensen met een handicap.
  12. Het is belangrijk de aandacht van een breed publiek te vestigen op de overeenkomsten tussen mensen met en zonder handicap in plaats van alleen voortdurend de verschillen te bevestigen.